Regelmatig zal de beheerder van de Traditiekamer Typhoon een extra stuk hier beschrijven.

1.

EEN VLIEGVELD IS VAN UIT DE LUCHT NIET AAN HET OOG TE ONTREKKEN, DE LUFTWAFFE PROBEERDE HET WEL

Camouflage

In de hele periode dat de Luftwaffe gebruik gemaakt heeft van de door hen aangelegde Fliegerhorst Volkel zijn ze druk geweest met de camouflage van het vliegveld om zo hangaars, gebouwen en start en rolbanen te onttrekken aan de spiedende ogen van de camera’s van RAF en USAAF.

De twee met klinkers verharde startbanen werden met teer besproeid en daarop werd kort gehakselde heide gestrooid. Over de rolbanen werd met een door een paard getrokken giertank gereden gevuld met groene of grijze verf.

De vele tientallen, door de Duitse firma Deisel gebouwde hangaars, werden aan de zijkanten afgespannen met camouflage netten zodat ze minder zouden opvallen in het terrein. 

Een zestal ander type hangaar werd zo gebouwd dat het vanuit de lucht op een boerderij leek. Op de muren werden stalraampjes geschilderde en rondom de hangaar werden hooimijten geplaatst die af en toe ook werden verplaatst. Ook werden er witte stukken papier in de grond gestoken wat kippen moesten voorstellen. Er waren zelfs vliegvelden in Nederland waar ook kunstig gefabriceerde nepkoeien rondom de boerderij-hangaars werden neergezet. 

Mitrailleur posten, gemaakt van betonnen putringen, werden voorzien van een idyllisch rieten puntdakje en om inkijk in de hangaars vanuit nabij gelegen boerderijen te voorkomen werden op sommige plaatsen rieten matten bij de vliegveld afrastering geplaatst. 

Nep-vliegtuigen

Het moet in de periode augustus-begin september 1944 geweest zijn dat er een aantal nepvliegtuigen op Fliegerhorst Volkel bij baankop 24 geplaatst werden.

De negenjarige Wim Smits, die met zijn ouders bij Odiliapeel in een boerderij woonde op de rand van het vliegveld, hield zijn oren en ogen goed open en gluurde wel eens door een raam op een plaats waar hij eigenlijk helemaal niet mocht komen. Dit wist hij ons te vertellen:

“Aan de zijde van Odiliapeel stonden op het vliegveld drie barakken, in één daarvan werden vliegtuigen van lappen textiel in elkaar gezet.

De toestellen werden voorzien van Engelse roundels. Zodra ze klaar waren werden ze met een tractor weggesleept en opgesteld aan het begin van de startbaan, aan de kant van Mill. Daar stonden er tientallen. In een tweetal barakken die naast deze werkplaats stonden was de voorraad lappen opgeslagen.

Binnen stonden zakken met een doorsnede van ongeveer twee meter.”[1]

Het bleek dat ook Driek Nooyen uit Odiliapeel deze nep vliegtuigen had gezien. Hij wist er het volgende over te vertellen:

“In de buurt van de Voorpeel stonden nep vliegtuigen, ik denk dat die gemaakt waren van triplex, ze waren gecamou­fleerd en stonden op schragen i.p.v. op wielen. Er stonden daar wel 10 of 12 van die vliegtuigen.”[2] 

Het is bekend dat de Firma Werkspoor o.a. actief was in het vervaardigen van camouflagevliegtuigen voor de Luftwaffe.[3]

Deze nepvliegtuigen werden normaal gebruikt om overdag de aandacht van laag overvliegende Amerikaanse en Engelse jagers van de gecamoufleerde hangaars weg te lokken. Vreemd blijft het daarom dat Wim Smits meent gezien te hebben dat er Britse roundels op de nep vliegtuigen waren aangebracht. Zij moesten de laag overvliegende Amerikaanse jagers dus laten geloven dat er hier een vooruitgeschoven Brits vliegveld lag!

 

 

                                                                                                                                             
Een nep Messchersmitt Bf-109 jachtvliegtuig, hier met Luftwaffe beschildering, en een nep benzine vat links op de voorgrond 

Zweefbommen of nepvliegtuigen beschoten?

Op 30 maart rapporteerden P-48 vliegers van 82 Fighter Squadron (van 78 Fighter Group) dat ze bij vliegveld Volkel iets bijzonders hadden gezien. De acht Thunderbolts waren om 15.15 uur bij Overflakkee Nederland binnen gevlogen en zetten vandaar rechtsreeks koers naar vliegveld Volkel om te kijken of ze daar enkele jagertjes van de Luftwaffe op de grond zouden kunnen verrassen. Ze zagen echter geen vijandelijke vliegtuigen, alleen twee zweefbommen werden op een veld opgemerkt en beschoten.[4]

Een opmerkelijke waarneming. Van Volkel zijn ons geen gegevens bekend met betrekking tot inzet van zweefbommen door b.v. III./KG-100 of een andere Kamfgeschwader. Het is bovendien zeer twijfelachtig of de Luftwaffe zweefbommen ongecamoufleerd op Volkel zou opslaan of zomaar ergens zou neerleggen.

Blijft het dus heel goed mogelijk dat de Thunderbolt vliegers twee dummy vliegtuigen voor zweefbommen hebben aangezien.

 

Henk Talen/Documebntatiegroep Volkel



[1] Geschreven verklaring van W.J.Smits/Nistelrode. 

[2] Verklaring van Driek Nooyen tegenover Toon v.d.Wetering/Documentatiegroep Volkel, 1998. 

[3] J.Meihuizen/Noodzakelijk kwaad, pag 323. Amsterdam, 2003. 

[4] Bron: Brief van G.L.Frey, Elgin, U.S.A. aan H.Talen/D.G.V., 03-08-1995 m.b.t. de aanval op vliegveld

  Volkel op 30-03-1944, gevlogen door de 78 Fighter Group. Gegevens genoteerd uit 78 FG Diaries op microfilm reels op Maxwell Airforce Base.

2.

Volkel en de Duitse Heinkel He-219 “Uhu” nachtjager 

Begin maart 1944 lag de gehele Ie Gruppe van NJG 1 met de 1e, 2e en 3e Staffel op Venlo,

de 1e Staffel bevond zich in 'Aufstellung', d.w.z. deze Staffel was nog niet op sterkte en bezat een allegaartje van Junkers Ju-88, Messchersmitt Me-110 en Heinkel He-219's nachtjagers.  Deze Staffel was dus in oprichting en beschikte slechts over een drietal niet operationele He-219 nachtjagers.
Over deze 1./NJG 1 is nog veel onduidelijk en het lijkt er zelfs op dat er in de winter 1943-1944 helemaal geen 1e Staffel heeft bestaan. 

Commandant van de Ie Gruppe was Major Paul Föster. Paul Föster was een van de oudste vliegers van de Nachtjagd, hij was al 42 jaar toen hij Hauptmann Manfred Meuer opvolgde als Kommandeur van I./NJG-1.
Op 1 maart 1944 beschikte de gehele Ie Gruppe over maar 11 He-219A nachtjagers aangevuld met 16 Me-110 toestellen.
In maart 1944 verplaatsten de 2e en 3e Staffel van de Ie Gruppe zich met enkele He-219 nachtjagers (plus de benodigde Me-110’s ?) van Venlo naar vliegveld Volkel. Hier bleven ze van 06-03-1944 tot 12-03-1944 en vertrokken toen weer naar Venlo. Bron van dit gegeven is het Militärarchiv in Freiburg (D). 

Tijdens het bombardement door Amerikaanse B-26 Marauders op 8-3-1944 stonden in de hangaars van Fliegerhorst Volkel dus enkele van de uiterst moderne He-219 nachtjagers van I/NJG 1. Over geleden schade aan de toestellen zijn geen gegevens bekend.  

Ook over de reden van het korte verblijf op Vliegveld Volkel tasten we nog in het duister.

En ook hebben we tot nu toe in geen enkel logboek van vliegers van de Ie Gruppe het bewijs voor deze overplaatsing kunnen vinden.


                  Heinkel He-219

 Henk Talen/Documebntatiegroep Volkel


3.

MOGELIJK MESSERSCHMITT  ME-110’s OP VOLKEL OMSTREEKS AUG/SEPT 1943?

Dat er ook activiteiten op vliegveld Volkel plaatsvonden, waar we niet de nodige details van kennen, bewijst het hierna volgende verslag van de toen jeugdige Wim Hermans uit Odiliapeel. 

“Ik ben omstreeks augustus/september 1943, op een woensdagmiddag na schooltijd met een van de gebroeders Kremers, die bij me in de klas zat en aan de Millse kant van het vliegveld bij de oostelijke poort woonde, meegegaan. We liepen "binnendoor" langs het vliegveld vanaf de Beukenlaan langs het hek aan de oostzijde van vliegveld Volkel, totdat we ter hoogte waren van de hangaar, die de oorlog zou overleven (H-1).

We konden door de struiken in enkele hangaars kijken en zagen dat er Duitse militairen bezig waren aan tweemotorige vliegtuigen; er werd gepraat en gelachen. Het waren tweemotorige toestellen met een gevlekte lichtgrijze en donkergrijze kleur, waarvan we er twee of drie zagen staan. De afstand van ons tot aan de vliegtuigen was ongeveer honderd meter. De vliegtuigen hadden een dubbele staart en een van de toestellen stond buiten de hangaar, juist voor de open geschoven hangaardeuren met de neus naar het oosten. Hoeveel vliegtuigen er in de hangaar stonden konden we niet goed zien, omdat het daar binnen nogal donker was.

De bedoeling van onze tocht was om een keer met een van de smalspoorlocomotieven die daar reden, mee te mogen rijden, want dat gedeelte van het complex was nog in opbouw.
De jongen, die me meenam, was al verschillende keren meegereden. Doch het lukte die dag niet, want er liep een hoge baas rond en hij liet ons weten dat we moesten ophoepelen.
Na enige dagen hebben we het opnieuw geprobeerd, doch het was weer een ander verhaal; er was geen vuur meer aan in de locomotief.
Men was bezig met het aanleggen van de rolbanen en eerst moest de riolering gegraven worden, want er lagen hele rijen buizen te wachten. Ook lagen er veel klinkers. 

 

 Tweemotorige Me-110. Was het dit type vliegtuig, dat Wim Hermans in 1943 op vliegveld Volkel zag staan?

Henk Talen/Documentatiegroep Volkel


4.
Major Heinz ‘Pritzl’ Bär op Volkel geland op 22 februari 1944                             

Tot de Luftwaffe-vliegers die tussen 1940 en 1944 op Fliegerhorst Volkel neerstreken, behoorde ook Major Heinz ‘Pritzl’ Bär, de Staffelkapitän van de 6e Staffel van JG1.
Maar Bär was geen normale majoor en geen normale Staffelkapitän!

Hij had al 185 overwinningen behaald en droeg het Ridderkruis met Eikenloof en de Zwaarden om zijn nek.

Maar Heinz Bär had nooit een blad voor de mond genomen en had zijn mening gegeven over de leiding van de Luftwaffe aan wie dat maar horen wilde. Dat kwam ook de “hogere legerleiding” en Reichsmarschall Hermann Gӧring ter ore en deze namen hun maatregelen.

Bär was ondertussen aan het Oostfront succesvol geweest als Gruppenkommandeur van IV./JG51 en nadien als Kommandeur van I./JG77 in Noord-Afrika. Hij werd op zeker moment, met behoud van rang, overgeplaatst naar een trainingseenheid en daarna naar de 6e Staffel van JG1; hij moest daar vliegen als de plaatsvervanger van de Staffelkapitän, die een veel lagere rang had dan hijzelf. Een wel heel vreemde situatie!

Deze periode duurde voor Bär gelukkig niet lang, want de Luftwaffe kon zulke succesvolle vliegers natuurlijk op betere posten gebruiken.

Bovendien werden door de grote overmacht van de Amerikaanse luchtmacht tal van ervaren Duitse vliegers neergeschoten en moest de Luftwaffe-leiding dus op zoek naar vervangers.

Op 19 februari 1944 werd Bär benoemd tot Staffelkapitän van de 6e Staffel, maar het was vóór die tijd al gebruikelijk geweest dat hem in de lucht de leiding werd toevertrouwd van de gehele IIe Gruppe van JG-1.                                                                         

Op 22 februari in de namiddag landde Major Bär met zijn Fw-190 op Volkel om er te tanken en zijn toestel van nieuwe munitie te laten voorzien. Kort daarvoor was hij van vliegveld Rheine opgestegen en had hij met de IIe Gruppe een formatie B-17-bommenwerpers aangevallen en kans gezien een B-17 neer te halen als zijn 185ste overwinning.

Op 8 maart werd hij benoemd tot Gruppenkommandeur van II./JG-1 en vanaf 11 mei nam hij tijdelijk de leiding van Jagdgeschwader-1 op zich en per 30 mei werd hij Kommodore van Jagdgeschwader-3. Bär overleefde de oorlog.

 

Op de motorkap het embleem van JG-1, op het witte richtingsroer de aanduiding dat Heinz Bär 200 overwinningen heeft behaald. Heinz Bär vloog in dezelfde periode ook een Fw-190A-7 zonder wit gespoten richtingsroer met de registratie “rode 23”.

 

 Major Heinz Bär (rechts) begroet respectvol zijn commandant Oberst Walter Oesau, die hij nadien ook tijdelijk zou opvolgen.

 

Henk Talen/Documentatiegroep Volkel


5.

USAAF P-47-vlieger Gabreski beschiet vliegveld Volkel

 

Het was bij de Documentatiegroep Volkel bekend, dat op 22-02-1944 het vliegveld Volkel was aangevallen door een tweetal USAAF Thunderbolts. Niet bekend was wie de vliegers waren geweest. Door speurwerk van Jaap Woortman (Documentatiegroep Volkel) en Ronald Vernes werd onlangs ontdekt, dat dit Lt.Col. Francis S.Gabreski en Lt.Col. Meyers waren geweest.


                                                                                                                                                                      

 Op deze hoogte zal Gabreski ook vliegveld Volkel aangevallen hebben. Op 20-07-1944 beschoot hij weer gronddoelen, kwam te laag en raakte met zijn propeller de grond. Na de crashlanding werd hij gevangen genomen. Hij eindigde de oorlog met 28 overwinningen op zijn naam en voegde daar in Korea, vliegend op de F-86 Sabre,  nog eens 6,5 aan toe. 

Op die 22e februari was het 61e squadron gestart om de Amerikaanse bommenwerpers boven Duitsland te ontmoeten en daar te escorteren totdat de brandstofvoorraad aanleiding zou zijn om terug te keren. Zodra ze de B-17-bommenwerpers in het oog kregen volgde er een luchtgevecht met een groep van ongeveer vijftien Luftwaffe-jagers, waarbij Gabreski een Fw-190 wist neer te halen.

Kort nadat Gabreski en zijn vleugelman Lt.Col. Meyers besloten hadden naar Engeland terug te keren, zagen ze, vliegend in de omgeving van St.Anthonis, een vliegveld liggen en besloten dat te gaan beschieten.

Volgens het rapport dat Gabreski nadien opmaakte was het een veld met een paar hangaars…..!  

We begrijpen dat Gabreski geen tijd had om alle hangaars op vliegveld Volkel te tellen maar het waren er 43 en dat is toch echt een paar meer dan “a few”!

Het blijkt ook wel dat de twee P-47-vliegers het erg druk hadden met de luchtafweer te ontwijken en om hun vliegtuig op lage hoogte in de richting van het gekozen doel te sturen, want Gabreski zelf noteerde dat hij een Do-217-bommenwerper had beschoten en de Duitsers zelf geven aan dat het een Ju-88 was!

Er werd geschoten met .50 A.P.I.-patronen en de Ju-88 werd beschadigd.

Meyers beschoot een hangaar en blijkbaar werd daarbij geen personeel of vliegtuig geraakt.

Terug in Engeland bleek dat Gabreski 942 patronen had verschoten.


Overste Gabreski was commandant van het 61 squadron van de 56 Fighter Group.

                                                                                                                                                           

 Henk Talen/Documentatiegroep Volkel